Hein zat op z’n bankje achter in de groentetuin, wat uit te rusten van een fikse wandeling. Hij had met Toos een paar Mariënheemse ommetjes afgelopen en hij had weer genoten van de eenvoudige maar wel afwisselende natuur rondom het dorp. De zwaluwen die tegen de gevel van z’n woning een nest hadden gebouwd, gierden over zijn hoofd en in de verte buitelden de kieviten door de lucht. Het was de eerste warme lenteavond van het jaar en dat gaf hem het gevoel dat alles weer fris was en dat de hele wereld hem toelachte.

Het is bijna 4 mei. Ik vind dat ik er aandacht aan moet besteden. Hier in Nederland zijn er altijd herdenkingen. Jaren geleden ben ik in Joegoslavië geweest. Een fascinerend land, even nu niet te praten over prachtige kusten en andere zaken. Wat mij opvalt zijn de niet opgeruimde ruïnes uit WO II. Ik zie ze overal. Ik vraag er naar en binnen de kortst mogelijke tijd word ik uitgenodigd om mee te gaan naar een bijzondere plek. Ik logeer op dat moment in een hotel in Slunj, een plaats tussen Karlovac en de Plitvice meren.

Mijn moeder heeft groene vingers. Altijd al gehad. Ze maakt iedere keer een paradijsje van zowel voor- als achtertuin. Bij haar ouders was een grote moestuin. Dat betekende dat ik soms naar huis moest fietsen met een doos bonen achterop die meer woog dan ik. Ik ben het trauma nooit helemaal te boven gekomen (weet u meteen waarom ik niet zo’n fan van fietsen ben).

Het zal weinigen van de lezers ontgaan zijn dat er recent een motie van de Partij voor de Dieren is aangenomen in de 2e kamer die ervoor moet zorgen dat kalfjes een bepaalde periode na de geboorte bij hun moeder moeten blijven.