Wolkenlagen stapelen zich op. De net nog even zichtbare zon verdwijnt. Boosaardig lachen de donkere zware wolken de zon uit. De wolken zijn nu een dikke massa. Ze zijn zwaar en moe, hebben geen zin meer op elkaar geplakt te zitten. Ze willen weg daar uit die donkergrijze massa. Ongecontroleerd valt de natte sneeuw pardoes met een ongelooflijke kracht heftig naar beneden. Dertig meter achter mij schijnt wel de zon, hij trotseert de grijze natte massa, de zon lacht, de straat is droog. Ik sta ook droog onder een grote vrolijke kleurige paraplu en kijk met verbazing wat de natuur allemaal doet. Dit heb ik al eens eerder meegemaakt. Toen was het zomer, woonde ik nog in Zeeland. Ik fietste langs het Singel in Vlissingen voorbij de katholieke kerk en zie aan de overkant van het water dat het hard regent. Ik stopte en keek hoe de mensen snel naar de portieken renden. Kinderen spreiden hun armen en liet de regen hen drijfnat maken. Het duurde maar een paar minuten. Zoals het begon, zo stopte de stortbui abrupt. Maar de zon hier heeft nog niet die kracht, de grijze massa wint en lacht de zon opnieuw uit. Ze laat alle nog de overgebleven natte sneeuw vallen. En niets blijft liggen. De wind is guur, het is nat, koud, klam, vies, een beetje glibberig en ben blij dat ik snel thuis ben.

Ondanks allerlei feestelijkheden in privékring en wat betreft de man met de witte baard en de stoomboot, heb ik er moeite mee: die donkere dagen voor kerst. ’s Avonds zit je in het donker warm te eten en met een beetje bewolkt weer is het al donker als je goed en wel de kinderen van school hebt gehaald. Het bed lonkt al vroeg en soms geef ik daar ook aan toe. Andere dagen pak ik een wijntje en blijf dicht naast mijn man op de bank zitten, met boek of tv.

Duidelijk voor de Katholieken onder ons. Je proeft en hoort gelijk al het verschil, immers de Protestanten zeggen, Kerstfeest.

En toch, het gaat over een geboorte van een Kindje. Het Kindje wordt Jezus genoemd. De oorspronkelijke naam is Jesjoea en betekent: Hij die redt.

Op de markt in Raalte stond Hein bij de visboer op zijn beurt te wachten. Twee haringen en een dubbele portie kibbeling zou hij mee naar huis nemen, voor Toos en voor hem zelf. Hij stond dicht achter een zeer stevige dame, van rond de 50, die twee zakken met kibbeling had besteld. "Zou ze die echt alleen opeten?", dacht Hein.